Greetje van der Werf: ‘Onderwijs verbeteren, niet omgooien’
Greetje van der Werf, hoogleraar onderwijzen en leren aan de Rijksuniversiteit Groningen, verstaat onder het nieuwe leren dat niet de systematische overdracht van kennis centraal staat, maar dat wordt uitgegaan van meer complexe, levensechte problemen. ‘Er wordt vanuit gegaan dat leerlingen het meeste leren als ze zelf problemen moeten oplossen door bijvoorbeeld ontdekkend of onderzoekend leren. Voorkennis die ze daarbij nodig hebben kunnen ze zelf opzoeken.’ Verder noemt zij als essentiële elementen dat leerlingen hun eigen leren sturen en de docent meer op de achtergrond blijft.
Van der Werf: ‘Ik ben voorstander van meer systematisch onderwijs: het aanbrengen van een goede basis waarop leerlingen voortbouwen en een sturende rol van de docent. Die kan beter bepalen wat een leerling nodig heeft om verder te komen.’ Als leerlingen aan het stuur zitten van het leerproces, zegt zij, raken zij soms op een verkeerd spoor. ‘Vooral bij de zwakkere leerlingen zie je veel misconcepties ontstaan over bepaalde begrippen, of hiaten in kennis die vaak niet worden gesignaleerd. Onderwijsvernieuwing is leuk voor kinderen die toch al goed kunnen leren, maar de zwakken zijn er niet bij gebaat. Die hebben gestructureerd onderwijs nodig en een sturende docent.’
Vraagt de maatschappij van nu niet om anders opgeleiden? Van der Werf: ‘Dat weet ik niet. In meer traditioneel onderwijs zie je ook wel dat leerlingen leren samenwerken, door bijvoorbeeld in een groepje een werkstuk te maken. Maar ik vind dat leren samenwerken eigenlijk geen taak van het onderwijs is. Je kunt door het gebruik van bepaalde werkvormen kinderen wel leren hoe ze zich in de samenleving kunnen handhaven, maar dat moet niet het uitgangspunt van je onderwijs zijn.’
Van der Werf: ‘Ik ben meer voor de verbetering van het bestaande. Het traditionele onderwijs kan nog aanzienlijk worden verbeterd. Neem alleen al het rekenen, lezen en spellen in het basisonderwijs. Er kan echt nog veel worden verbeterd zonder dat je daarmee het hele onderwijs overhoop haalt. Laten we liever de achterblijvende leerlingen meer hulp bieden om hen op een bepaald niveau te krijgen.’
Voorbeelden van het nieuwe leren
Samenwerkend leren
Vindt plaats door middel van interactie tussen twee of meer personen over onderwerpen die voor hen belangrijk zijn. Opdrachten worden in groepsverband uitgevoerd. Door het samen leren en werken worden de sociale en communicatieve vaardigheden versterkt en geven leerlingen steeds meer sturing aan hun leren. Zij leren zo ook voor het leven. De methode moet deelneming van alle groepsleden waarborgen. Van belang zijn de samenstelling en het niveau van de groep, de interactie tussen de groepsleden en met de docent, en de reacties van de groepsleden op groepsactiviteiten en – ervaringen.
Adaptief onderwijs
Leerlingen verschillen in uiterlijk, capaciteiten, omgeving, ontwikkeling, leerstijl en achtergrond. Die combinatie van kenmerken bepaalt ieders identiteit. Adaptief onderwijs gaat ervan uit dat wanneer je rekening houdt met de relevante kenmerken van kinderen, je optimale ontwikkelingsmogelijkheden kunt bieden. Ook docenten proberen om hun taken te matchen met hun achtergrond, doceerstijl, interesse en motivatie. Ontwikkeling vindt plaats in interactie met de omgeving, die vrij moet zijn van emotionele belemmeringen, en zelfvertrouwen en nieuwsgierigheid stimuleert. Er worden uiteenlopende materialen en werkvormen gebruikt en leerlingen nemen steeds meer zelf verantwoordelijkheid.
Natuurlijk Leren
Begint bij de eigen behoefte aan zelfontplooiing. Iedere leerling moet de leerweg vinden die het meest natuurlijk aansluit bij zijn/haar mogelijkheden en talenten. Een krachtige leeromgeving zorgt voor optimale ontwikkelingsmogelijkheden. Natuurlijk leren is voornamelijk gebaseerd op (sociaal) constructivisme, een theorie die aangeeft hóe leren plaatsvindt. Leren wordt gezien als het resultaat van denkactiviteiten van de leerlingen zelf: we leren door nieuwe informatie te verbinden aan wat we al weten. Dat geldt ook voor vaardigheden. Er moet dus worden aangesloten bij wat iemand al weet/ervaren heeft. Van nature leggen leerlingen zélf die verbinding zodra ze uit zichzelf geïnteresseerd zijn.
Projectonderwijs
Is vakoverstijgend. De projecten sluiten zoveel mogelijk aan bij de belevingswereld van de leerlingen. Tijdens de duur van een project zijn de verschillende vakken zoveel mogelijk gericht op het thema van het project. Leerlingen werken in groepjes aan een product en de mentoren begeleiden hen in het aanleren van vaardigheden. Het doel is dat de leerlingen met behulp van hun nieuwe vaardigheden uitdagingen kunnen aangaan. Het zelfstandig leren werken en samenwerken zijn belangrijk. Door leerlingen op onderzoek te laten gaan, wordt de scheiding tussen school en maatschappij doorbroken. Belangrijk is dat leerlingen het geleerde kunnen toepassen in andere situaties, ook buiten de school.
Probleemgestuurd onderwijs
Biedt de leerstof aan in de vorm van ‘open-einde’ probleemstellingen. Leerlingen werken samen in kleine groepen en geven richting aan het leerproces met ondersteuning van de docent. Zo moet de kennis beter op z’n plek vallen en zouden de communicatie, het probleemoplossend vermogen en zelfstandigheid worden bevorderd. Leerlingen krijgen allerhande taken. Daarnaast wordt gewerkt met studieboeken, artikelen, cases en opdrachten. Bij elke taak wordt de probleemstelling geformuleerd en geanalyseerd, worden de leerdoelen geformuleerd, wordt met behulp van (zelf)studie en onderzoek informatie vergaard, de leerdoelen nabesproken en nieuwe kennis getest. De tutor/docent begeleidt het groepsproces, stuurt waar nodig de discussie en treedt indien nodig op als inhoudsdeskundige. Belangrijk is dat leerlingen actief deelnemen aan het leerproces.
Competentiegericht onderwijs
Wordt vooral toegepast binnen mbo en hbo. Is gericht op het verwerven van bepaalde competenties. Elke competentie wordt vertaald in leerdoelen. De leerling legt zijn leerdoelen vast in een persoonlijk ontwikkelingsplan (pop). Het gaat erom dat hij deze doelen bereikt en de competenties beheerst. De leerling wordt steeds meer verantwoordelijk voor zijn eigen leren. In het begin is er veel sturing. Daarna gaat de leerling steeds zelfstandiger werken. Onder begeleiding past hij zijn vaardigheden toe. De leerling verzamelt ‘bewijsstukken’ van zijn vorderingen in zijn portfolio; meestal een digitale map.
Download hier het volledige artikel (pdf)
« terug naar magazine
Van der Werf: ‘Ik ben voorstander van meer systematisch onderwijs: het aanbrengen van een goede basis waarop leerlingen voortbouwen en een sturende rol van de docent. Die kan beter bepalen wat een leerling nodig heeft om verder te komen.’ Als leerlingen aan het stuur zitten van het leerproces, zegt zij, raken zij soms op een verkeerd spoor. ‘Vooral bij de zwakkere leerlingen zie je veel misconcepties ontstaan over bepaalde begrippen, of hiaten in kennis die vaak niet worden gesignaleerd. Onderwijsvernieuwing is leuk voor kinderen die toch al goed kunnen leren, maar de zwakken zijn er niet bij gebaat. Die hebben gestructureerd onderwijs nodig en een sturende docent.’
Vraagt de maatschappij van nu niet om anders opgeleiden? Van der Werf: ‘Dat weet ik niet. In meer traditioneel onderwijs zie je ook wel dat leerlingen leren samenwerken, door bijvoorbeeld in een groepje een werkstuk te maken. Maar ik vind dat leren samenwerken eigenlijk geen taak van het onderwijs is. Je kunt door het gebruik van bepaalde werkvormen kinderen wel leren hoe ze zich in de samenleving kunnen handhaven, maar dat moet niet het uitgangspunt van je onderwijs zijn.’
Van der Werf: ‘Ik ben meer voor de verbetering van het bestaande. Het traditionele onderwijs kan nog aanzienlijk worden verbeterd. Neem alleen al het rekenen, lezen en spellen in het basisonderwijs. Er kan echt nog veel worden verbeterd zonder dat je daarmee het hele onderwijs overhoop haalt. Laten we liever de achterblijvende leerlingen meer hulp bieden om hen op een bepaald niveau te krijgen.’
Voorbeelden van het nieuwe leren
Samenwerkend leren
Vindt plaats door middel van interactie tussen twee of meer personen over onderwerpen die voor hen belangrijk zijn. Opdrachten worden in groepsverband uitgevoerd. Door het samen leren en werken worden de sociale en communicatieve vaardigheden versterkt en geven leerlingen steeds meer sturing aan hun leren. Zij leren zo ook voor het leven. De methode moet deelneming van alle groepsleden waarborgen. Van belang zijn de samenstelling en het niveau van de groep, de interactie tussen de groepsleden en met de docent, en de reacties van de groepsleden op groepsactiviteiten en – ervaringen.
Adaptief onderwijs
Leerlingen verschillen in uiterlijk, capaciteiten, omgeving, ontwikkeling, leerstijl en achtergrond. Die combinatie van kenmerken bepaalt ieders identiteit. Adaptief onderwijs gaat ervan uit dat wanneer je rekening houdt met de relevante kenmerken van kinderen, je optimale ontwikkelingsmogelijkheden kunt bieden. Ook docenten proberen om hun taken te matchen met hun achtergrond, doceerstijl, interesse en motivatie. Ontwikkeling vindt plaats in interactie met de omgeving, die vrij moet zijn van emotionele belemmeringen, en zelfvertrouwen en nieuwsgierigheid stimuleert. Er worden uiteenlopende materialen en werkvormen gebruikt en leerlingen nemen steeds meer zelf verantwoordelijkheid.
Natuurlijk Leren
Begint bij de eigen behoefte aan zelfontplooiing. Iedere leerling moet de leerweg vinden die het meest natuurlijk aansluit bij zijn/haar mogelijkheden en talenten. Een krachtige leeromgeving zorgt voor optimale ontwikkelingsmogelijkheden. Natuurlijk leren is voornamelijk gebaseerd op (sociaal) constructivisme, een theorie die aangeeft hóe leren plaatsvindt. Leren wordt gezien als het resultaat van denkactiviteiten van de leerlingen zelf: we leren door nieuwe informatie te verbinden aan wat we al weten. Dat geldt ook voor vaardigheden. Er moet dus worden aangesloten bij wat iemand al weet/ervaren heeft. Van nature leggen leerlingen zélf die verbinding zodra ze uit zichzelf geïnteresseerd zijn.
Projectonderwijs
Is vakoverstijgend. De projecten sluiten zoveel mogelijk aan bij de belevingswereld van de leerlingen. Tijdens de duur van een project zijn de verschillende vakken zoveel mogelijk gericht op het thema van het project. Leerlingen werken in groepjes aan een product en de mentoren begeleiden hen in het aanleren van vaardigheden. Het doel is dat de leerlingen met behulp van hun nieuwe vaardigheden uitdagingen kunnen aangaan. Het zelfstandig leren werken en samenwerken zijn belangrijk. Door leerlingen op onderzoek te laten gaan, wordt de scheiding tussen school en maatschappij doorbroken. Belangrijk is dat leerlingen het geleerde kunnen toepassen in andere situaties, ook buiten de school.
Probleemgestuurd onderwijs
Biedt de leerstof aan in de vorm van ‘open-einde’ probleemstellingen. Leerlingen werken samen in kleine groepen en geven richting aan het leerproces met ondersteuning van de docent. Zo moet de kennis beter op z’n plek vallen en zouden de communicatie, het probleemoplossend vermogen en zelfstandigheid worden bevorderd. Leerlingen krijgen allerhande taken. Daarnaast wordt gewerkt met studieboeken, artikelen, cases en opdrachten. Bij elke taak wordt de probleemstelling geformuleerd en geanalyseerd, worden de leerdoelen geformuleerd, wordt met behulp van (zelf)studie en onderzoek informatie vergaard, de leerdoelen nabesproken en nieuwe kennis getest. De tutor/docent begeleidt het groepsproces, stuurt waar nodig de discussie en treedt indien nodig op als inhoudsdeskundige. Belangrijk is dat leerlingen actief deelnemen aan het leerproces.
Competentiegericht onderwijs
Wordt vooral toegepast binnen mbo en hbo. Is gericht op het verwerven van bepaalde competenties. Elke competentie wordt vertaald in leerdoelen. De leerling legt zijn leerdoelen vast in een persoonlijk ontwikkelingsplan (pop). Het gaat erom dat hij deze doelen bereikt en de competenties beheerst. De leerling wordt steeds meer verantwoordelijk voor zijn eigen leren. In het begin is er veel sturing. Daarna gaat de leerling steeds zelfstandiger werken. Onder begeleiding past hij zijn vaardigheden toe. De leerling verzamelt ‘bewijsstukken’ van zijn vorderingen in zijn portfolio; meestal een digitale map.
Download hier het volledige artikel (pdf)
« terug naar magazine






