Prima Tekenquiz
Hoe ontwikkelt het tekenen zich bij een kind? En waar is het eigenlijk goed voor? Doe de Prima Tekenquiz en maak een reisje door de tekenwereld van het kind!
Prima en Ewald Vervaet van Stichting Histos organiseren de Prima Tekenquiz in het kader van Oktober Wetenschapsmaand. Het thema van deze landelijke manifestatie is ‘Reis naar het onbekende’. Helemaal onbekend ben je vast niet met kindertekeningen, maar er valt nog genoeg aan te ontdekken. De quiz bestaat uit zes doordenkers over de ontwikkeling van het tekenen tot een jaar of zeven, acht.
Op pagina 39 staan de juiste antwoorden van de eerste vijf doordenkers, met een korte toelichting. Hier vind je uitgebreide toelichtingen én verklaringen waarom de overige antwoorden onjuist zijn. Veel plezier!
Wie is Ewald Vervaet?
Ewald Vervaet is als ontwikkelingspsycholoog werkzaam bij Stichting Histos. Deze stichting verricht en bevordert onderzoek naar de psychologische ontwikkeling van kinderen (meer op www.stichtinghistos.nl). Over zijn eigen onderzoek naar de ontwikkeling die kinderen tussen 3 en 8,5 jaar doormaken schreef Vervaet het boek Naar school; psychologie van 3 tot 8. Hierin besteedt hij extra aandacht aan onderwerpen die op school van belang zijn. Zoals: hoe leert een kind schrijven en lezen? Hoe leert het rekenen en klokkijken? Ook staat hij stil bij problemen rond dyslexie.
Win!
Maak kans op een gratis exemplaar van “Naar school; psychologie van 3 tot 8”! Beantwoord onderstaande doordenker en stuur je antwoord vóór 1 november 2009 naar redactie@prima-online.nl. Onder de juiste inzenders verloten wij drie exemplaren van het boek.
Prijsvraag doordenker:
De halfgevulde fles
Vóór Sanne staat een fles. De fles staat schuin op de tafel en is voor de helft met limonade gevuld. Op het papier staat ook een schuin afgebeelde fles. Stel Sanne is een peuter (3-4,5 jaar), hoe tekent zij dan de limonade in de fles en hoe zou Sanne de kleuter (4,5-6,5 jaar) het doen?
a. De peuter Sanne vult de fles helemaal met limonade, de kleuter Sanne trekt voor het limonadeoppervlak een rechte lijn, evenwijdig aan de bodem.
b. De peuter Sanne krast over de fles en de kleuter Sanne tekent een horizontale golflijn als limonadeoppervlak.
c. De peuter Sanne trekt de omtrek van de fles over en de kleuter Sanne tekent een horizontale rechte lijn als limonadeoppervlak.
eerste doordenker: kiem
Alles heeft een eerste kiem, ook het tekenen. Wat is de eerste kiem voor het latere tekenen?
a. Het liggen, meteen na de geboorte. Daardoor ervaart het kind de horizontale lijn.
b. Het grijpen, vanaf een maand of vier. Daardoor kan het kind naar een potlood grijpen om het vast te houden.
c. Aandachtscontact, vanaf een maand of twaalf. Daardoor ontdekt het kind dat het een oppervlak kan verkennen, zonder het aan te raken.
= = = = =
tweede doordenker: koppoter
Één van de eerste tekeningen die Rik maakt, is een koppoter (een kop met poten). Het eigenaardige daaraan is dat één kring zowel het hoofd uitbeeldt als de romp. Wat zit daarachter?
a. Rik maakt geen onderscheid tussen zijn hoofd en zijn romp.
b. Rik kent het begrip ‘tussen’ nog niet.
c. Rik onderscheidt de vorm van het menselijke lichaam nog niet van dat van een inktvis.
= = = = =
derde doordenker: voorbereiding
Tekenen is goed voor de ontwikkeling van een kind. Het is ook de beste voorbereiding voor ... Waarvoor?
a. Tekenen bereidt voor op ruimtelijk inzicht – bij beide worden vlakken geordend.
b. Tekenen bereidt voor op schrijven – bij beide is sprake van figuren.
c. Tekenen bereidt voor op rekenen – beide hebben namelijk iets wiskundigs.
= = = = =
vierde doordenker: broekje
Bernard tekent zichzelf naakt. Hij glimlacht en tekent dan een broekje over zijn schaamstreek. Hoe oud is Bernard ongeveer?
a. Bernard is ongeveer 4,5 jaar.
b. Bernard is ongeveer 5,5 jaar.
c. Bernard is ongeveer 6,5 jaar.
= = = = =
vijfde doordenker: boom op een helling
Mette van 5 jaar en 5 maanden tekent een boom loodrecht op een helling. Waarom doet ze dat?
a. Mette heeft nog onvoldoende besef van wat het begrip ‘verticaal’ inhoudt.
b. Mette is in een neerslachtige bui en daardoor gaat ze met de helling mee in een dalende lijn.
c. Mette is nog nooit op een berg geweest en tekent daarom bomen zoals zij die van Nederland kent: loodrecht op het oppervlak.
Antwoorden met toelichting
eerste doordenker: kiem
a. Het liggen, meteen na de geboorte. Daardoor ervaart het kind de horizontale lijn.
Het liggen, meteen na de geboorte. Daardoor ervaart het kind de horizontale lijn. In de kleuterfase (gemiddeld 4,5-6,5 jaar) heeft het kind nog moeite met de horizontale lijn; zie het derde denkvormpje. Als dit antwoord juist zou zijn, is die moeite niet te begrijpen. Dit antwoord is dus niet juist .
b. Het grijpen, vanaf een maand of vier. Daardoor kan het kind naar een potlood grijpen om het vast te houden.
Het grijpen ontstaat in fase 3 van de psychologische ontwikkeling. Die loopt gemiddeld tussen 4 en 8 maanden. Als een fase-3-kind echter een potlood vast heeft, gaat het erop sabbelen of ermee slaan – niets dus dat op tekenen lijkt of erop vooruit loopt. Dit antwoord is dus niet juist.
c. Aandachtscontact, vanaf een maand of twaalf. Daardoor kan het kind beseffen dat het een spoor kan trekken, zonder het papier aan te raken.
Dit antwoord is juist. In fase 5 van de psychologische ontwikkeling (gemiddeld 12-15 maanden) ontstaat aandachtscontact. Daardoor kan een kind iets verkennen zonder het per se aan te moeten raken. Dat komt tot uiting in het wijzen, maar ook in het krassen met een potlood op een stuk papier.
tweede doordenker: koppoter
a. Rik maakt geen onderscheid tussen zijn hoofd en zijn romp.
Koppoters ontstaan in fase 12 (gemiddeld 45 maanden – 4,5 jaar). In die fase weet Rik wel degelijk dat hij een hoofd heeft en een romp, vaak aangeduid als ‘lijf’. Hij weet wel degelijk dat zijn neus aan zijn hoofd zit en zijn navel aan zijn lijf. Dit antwoord is dus niet juist.
b. Rik beheerst het begrip ‘tussen’ niet.
Dit antwoord is juist. Koppoters ontstaan in de fase van de oudere peuter, fase 12 van de psychologische ontwikkeling (gemiddeld 45 maanden – 4,5 jaar). In die fase laat het kind strepen voor oren en benen concreet aan een kring grenzen. Pas een kleuter (fase 13; 4,5-6,5 jaar) plaatst zijn lichaam binnen een abstract-logisch ruimtelijk kader en heeft besef van ‘tussen’. Daarom onderscheidt het in de weergave van zijn lichaam naar hoofd en romp.
c. Rik onderscheidt niet tussen de vorm van het menselijke lichaam en die van een inktvis.
Een koppoter lijkt inderdaad op een inktvis. Bij een inktvis zitten de tentakels immers vrijwel meteen aan zijn kop. Die gelijkenis is echter een duiding die wij als volwassenen kunnen maken, en zegt niets over hoe een kind naar de wereld kijkt. Dit antwoord is dus niet juist.
derde doordenker: voorbereiding
a. Tekenen bereidt voor op ruimtelijk inzicht – in beide worden vlakken geordend.
Elk tekenniveau vooronderstelt een bepaald niveau in het ruimtelijke inzicht: het tekenen van peuters is gebaseerd op een concreet ruimtelijk inzicht (zie de koppoters van het tweede denkvormpje); het tekenen van kleuters is gebaseerd op ruimtelijk inzicht met behulp van een abstract-logisch kader waar echter een en ander aan ontbreekt (zie het intekenen van een vloeistofoppervlak in het derde denkvormpje); het tekenen van jonge schoolkinderen is gebaseerd op een abstract-logisch kader waarin het ontbrekende bij kleuters is opgeheven. Dit antwoord is dus niet juist.
b. Tekenen bereidt voor op schrijven – in beide is sprake van figuren.
Dit is het juiste antwoord. Zowel in het tekenen als in het schrijven worden figuren gemaakt. De twee belangrijkste verschillen zijn: in het schrijven zijn de figuren gegeven, namelijk als lettertekens in de betreffende taal, en elk schrijffiguur staat voor een klank (‘A’ voor /a/ van ‘pak’, ‘B’ voor /b/ van /bos/, enzovoort). Het tekenen van kleuters (gemiddeld 4,5-6,5 jaar) bereidt daarom optimaal voor op het schrijven van het jonge schoolkind (gemiddeld 6,5-8,5 jaar).
c. Tekenen bereidt voor op rekenen – beide heeft iets wiskundigs.
Tekenen heeft wat met ruimtelijk inzicht te maken (zie de antwoorden a en b) en heeft dus wat met meetkunde te maken. Rekenen is een voorloper van algebra. En de meeste mensen zijn zowel in meetkunde als in algebra goed of slecht, maar tekenen zelf bereidt niet voor op rekenen. Dit antwoord is dus niet juist.
vierde doordenker: broekje
a. Bernard is ongeveer 4,5 jaar.
Rond 4,5 jaar maakt het kind een overgang van de peuterperiode (gemiddeld 3-4,5 jaar) naar de kleuterperiode (gemiddeld 4,5-6,5 jaar). In dat kader gaat Bernard zich interesseren voor hoe zijn en andermans lichaamsdelen zich ten opzichte van elkaar verhouden: hij leert fietsen zonder steunwieletjes, hij leer zwemmen zonder drijfmiddelen en hij leert zelf zijn bips schoon te maken na een grote boodschap. Ook speelt hij graag doktertje met andere kinderen en soms vindt hij het leuk om te kijken wie het verste kan plassen. Van enige behoefte om zijn schaamstreek af te dekken is er niet... Dit antwoord is dus niet juist.
b. Bernard is ongeveer 5,5 jaar.
Bernard zit met 5,5 jaar volop in de kleuterfase (gemiddeld 4,5-6,5 jaar). Alleen al om die reden is zo’n overgangsreactie als ‘eerst naakt, dan bedekt’ niet te verwachten. Bij de twee andere leeftijden ligt dat dus anders. Dit antwoord is dus niet juist – het juiste antwoord is a of c.
c. Bernard is ongeveer 6,5 jaar.
Dit is het juiste antwoord. Bernard heeft zijn ouders nooit naakt gezien. In de overgang van de kleuterfase (gemiddeld 4,5-6,5 jaar) naar de fase van het jonge schoolkind (gemiddeld 6,5-8,5 jaar) realiseert hij dat zij hem wel geregeld naakt zien maar hij hen nooit. Hij besluit het voortaan als zij te doen en dekt zijn schaamstreek op de tekening af met een broekje.
vijfde doordenker: boom op een helling
a. Mette heeft nog onvoldoende besef van wat het begrip ‘verticaal’ inhoudt.
Dit is het juiste antwoord. Mette zit in kleuterfase 13 van de psychologische ontwikkeling (gemiddeld 4,5-6,5 jaar). Daarin is het ruimtebesef nog onvoldoende om een boom altijd verticaal te tekenen, ongeacht of het ondervlak nu een polder is of een berghelling. Pas in de fase van het jonge schoolkind (gemiddeld 6,5-8,5 jaar) is het ruimtebesef toereikend om zich los te kunnen maken van het ondervlak en een boom altijd verticaal te tekenen.
b. Mette verkeert in een neerslachtige stemming. Daardoor gaat ze met de helling mee in dalende lijn.
Mette zit in de kleuterfase (gemiddeld 4,5-6,5 jaar). Of kleuters nu in een vrolijke bui verkeren of een dipt hebben, in alle gevallen tekenen ze bomen op een helling zoals zij het doet.
c. Mette is nog nooit in de bergen geweest en tekent daarom die bomen zoals ze ze in Nederland kent: loodrecht op het oppervlak.
Mette is al diverse keren in de bergen geweest. Ondanks dat ze daar honderden bomen verticaal heeft zien staan, tekent ze toch loodrecht op de helling. Kleuters die in een bergstreek wonen, tekenen ze net als Mette. Dit antwoord is dus niet juist.
« terug naar magazine
Prima en Ewald Vervaet van Stichting Histos organiseren de Prima Tekenquiz in het kader van Oktober Wetenschapsmaand. Het thema van deze landelijke manifestatie is ‘Reis naar het onbekende’. Helemaal onbekend ben je vast niet met kindertekeningen, maar er valt nog genoeg aan te ontdekken. De quiz bestaat uit zes doordenkers over de ontwikkeling van het tekenen tot een jaar of zeven, acht.
Op pagina 39 staan de juiste antwoorden van de eerste vijf doordenkers, met een korte toelichting. Hier vind je uitgebreide toelichtingen én verklaringen waarom de overige antwoorden onjuist zijn. Veel plezier!
Wie is Ewald Vervaet?
Ewald Vervaet is als ontwikkelingspsycholoog werkzaam bij Stichting Histos. Deze stichting verricht en bevordert onderzoek naar de psychologische ontwikkeling van kinderen (meer op www.stichtinghistos.nl). Over zijn eigen onderzoek naar de ontwikkeling die kinderen tussen 3 en 8,5 jaar doormaken schreef Vervaet het boek Naar school; psychologie van 3 tot 8. Hierin besteedt hij extra aandacht aan onderwerpen die op school van belang zijn. Zoals: hoe leert een kind schrijven en lezen? Hoe leert het rekenen en klokkijken? Ook staat hij stil bij problemen rond dyslexie.
Win!
Maak kans op een gratis exemplaar van “Naar school; psychologie van 3 tot 8”! Beantwoord onderstaande doordenker en stuur je antwoord vóór 1 november 2009 naar redactie@prima-online.nl. Onder de juiste inzenders verloten wij drie exemplaren van het boek.
Prijsvraag doordenker:
De halfgevulde fles
Vóór Sanne staat een fles. De fles staat schuin op de tafel en is voor de helft met limonade gevuld. Op het papier staat ook een schuin afgebeelde fles. Stel Sanne is een peuter (3-4,5 jaar), hoe tekent zij dan de limonade in de fles en hoe zou Sanne de kleuter (4,5-6,5 jaar) het doen?
a. De peuter Sanne vult de fles helemaal met limonade, de kleuter Sanne trekt voor het limonadeoppervlak een rechte lijn, evenwijdig aan de bodem.
b. De peuter Sanne krast over de fles en de kleuter Sanne tekent een horizontale golflijn als limonadeoppervlak.
c. De peuter Sanne trekt de omtrek van de fles over en de kleuter Sanne tekent een horizontale rechte lijn als limonadeoppervlak.
eerste doordenker: kiem
Alles heeft een eerste kiem, ook het tekenen. Wat is de eerste kiem voor het latere tekenen?
a. Het liggen, meteen na de geboorte. Daardoor ervaart het kind de horizontale lijn.
b. Het grijpen, vanaf een maand of vier. Daardoor kan het kind naar een potlood grijpen om het vast te houden.
c. Aandachtscontact, vanaf een maand of twaalf. Daardoor ontdekt het kind dat het een oppervlak kan verkennen, zonder het aan te raken.
= = = = =
tweede doordenker: koppoter
Één van de eerste tekeningen die Rik maakt, is een koppoter (een kop met poten). Het eigenaardige daaraan is dat één kring zowel het hoofd uitbeeldt als de romp. Wat zit daarachter?
a. Rik maakt geen onderscheid tussen zijn hoofd en zijn romp.
b. Rik kent het begrip ‘tussen’ nog niet.
c. Rik onderscheidt de vorm van het menselijke lichaam nog niet van dat van een inktvis.
= = = = =
derde doordenker: voorbereiding
Tekenen is goed voor de ontwikkeling van een kind. Het is ook de beste voorbereiding voor ... Waarvoor?
a. Tekenen bereidt voor op ruimtelijk inzicht – bij beide worden vlakken geordend.
b. Tekenen bereidt voor op schrijven – bij beide is sprake van figuren.
c. Tekenen bereidt voor op rekenen – beide hebben namelijk iets wiskundigs.
= = = = =
vierde doordenker: broekje
Bernard tekent zichzelf naakt. Hij glimlacht en tekent dan een broekje over zijn schaamstreek. Hoe oud is Bernard ongeveer?
a. Bernard is ongeveer 4,5 jaar.
b. Bernard is ongeveer 5,5 jaar.
c. Bernard is ongeveer 6,5 jaar.
= = = = =
vijfde doordenker: boom op een helling
Mette van 5 jaar en 5 maanden tekent een boom loodrecht op een helling. Waarom doet ze dat?
a. Mette heeft nog onvoldoende besef van wat het begrip ‘verticaal’ inhoudt.
b. Mette is in een neerslachtige bui en daardoor gaat ze met de helling mee in een dalende lijn.
c. Mette is nog nooit op een berg geweest en tekent daarom bomen zoals zij die van Nederland kent: loodrecht op het oppervlak.
Antwoorden met toelichting
eerste doordenker: kiem
a. Het liggen, meteen na de geboorte. Daardoor ervaart het kind de horizontale lijn.
Het liggen, meteen na de geboorte. Daardoor ervaart het kind de horizontale lijn. In de kleuterfase (gemiddeld 4,5-6,5 jaar) heeft het kind nog moeite met de horizontale lijn; zie het derde denkvormpje. Als dit antwoord juist zou zijn, is die moeite niet te begrijpen. Dit antwoord is dus niet juist .
b. Het grijpen, vanaf een maand of vier. Daardoor kan het kind naar een potlood grijpen om het vast te houden.
Het grijpen ontstaat in fase 3 van de psychologische ontwikkeling. Die loopt gemiddeld tussen 4 en 8 maanden. Als een fase-3-kind echter een potlood vast heeft, gaat het erop sabbelen of ermee slaan – niets dus dat op tekenen lijkt of erop vooruit loopt. Dit antwoord is dus niet juist.
c. Aandachtscontact, vanaf een maand of twaalf. Daardoor kan het kind beseffen dat het een spoor kan trekken, zonder het papier aan te raken.
Dit antwoord is juist. In fase 5 van de psychologische ontwikkeling (gemiddeld 12-15 maanden) ontstaat aandachtscontact. Daardoor kan een kind iets verkennen zonder het per se aan te moeten raken. Dat komt tot uiting in het wijzen, maar ook in het krassen met een potlood op een stuk papier.
tweede doordenker: koppoter
a. Rik maakt geen onderscheid tussen zijn hoofd en zijn romp.
Koppoters ontstaan in fase 12 (gemiddeld 45 maanden – 4,5 jaar). In die fase weet Rik wel degelijk dat hij een hoofd heeft en een romp, vaak aangeduid als ‘lijf’. Hij weet wel degelijk dat zijn neus aan zijn hoofd zit en zijn navel aan zijn lijf. Dit antwoord is dus niet juist.
b. Rik beheerst het begrip ‘tussen’ niet.
Dit antwoord is juist. Koppoters ontstaan in de fase van de oudere peuter, fase 12 van de psychologische ontwikkeling (gemiddeld 45 maanden – 4,5 jaar). In die fase laat het kind strepen voor oren en benen concreet aan een kring grenzen. Pas een kleuter (fase 13; 4,5-6,5 jaar) plaatst zijn lichaam binnen een abstract-logisch ruimtelijk kader en heeft besef van ‘tussen’. Daarom onderscheidt het in de weergave van zijn lichaam naar hoofd en romp.
c. Rik onderscheidt niet tussen de vorm van het menselijke lichaam en die van een inktvis.
Een koppoter lijkt inderdaad op een inktvis. Bij een inktvis zitten de tentakels immers vrijwel meteen aan zijn kop. Die gelijkenis is echter een duiding die wij als volwassenen kunnen maken, en zegt niets over hoe een kind naar de wereld kijkt. Dit antwoord is dus niet juist.
derde doordenker: voorbereiding
a. Tekenen bereidt voor op ruimtelijk inzicht – in beide worden vlakken geordend.
Elk tekenniveau vooronderstelt een bepaald niveau in het ruimtelijke inzicht: het tekenen van peuters is gebaseerd op een concreet ruimtelijk inzicht (zie de koppoters van het tweede denkvormpje); het tekenen van kleuters is gebaseerd op ruimtelijk inzicht met behulp van een abstract-logisch kader waar echter een en ander aan ontbreekt (zie het intekenen van een vloeistofoppervlak in het derde denkvormpje); het tekenen van jonge schoolkinderen is gebaseerd op een abstract-logisch kader waarin het ontbrekende bij kleuters is opgeheven. Dit antwoord is dus niet juist.
b. Tekenen bereidt voor op schrijven – in beide is sprake van figuren.
Dit is het juiste antwoord. Zowel in het tekenen als in het schrijven worden figuren gemaakt. De twee belangrijkste verschillen zijn: in het schrijven zijn de figuren gegeven, namelijk als lettertekens in de betreffende taal, en elk schrijffiguur staat voor een klank (‘A’ voor /a/ van ‘pak’, ‘B’ voor /b/ van /bos/, enzovoort). Het tekenen van kleuters (gemiddeld 4,5-6,5 jaar) bereidt daarom optimaal voor op het schrijven van het jonge schoolkind (gemiddeld 6,5-8,5 jaar).
c. Tekenen bereidt voor op rekenen – beide heeft iets wiskundigs.
Tekenen heeft wat met ruimtelijk inzicht te maken (zie de antwoorden a en b) en heeft dus wat met meetkunde te maken. Rekenen is een voorloper van algebra. En de meeste mensen zijn zowel in meetkunde als in algebra goed of slecht, maar tekenen zelf bereidt niet voor op rekenen. Dit antwoord is dus niet juist.
vierde doordenker: broekje
a. Bernard is ongeveer 4,5 jaar.
Rond 4,5 jaar maakt het kind een overgang van de peuterperiode (gemiddeld 3-4,5 jaar) naar de kleuterperiode (gemiddeld 4,5-6,5 jaar). In dat kader gaat Bernard zich interesseren voor hoe zijn en andermans lichaamsdelen zich ten opzichte van elkaar verhouden: hij leert fietsen zonder steunwieletjes, hij leer zwemmen zonder drijfmiddelen en hij leert zelf zijn bips schoon te maken na een grote boodschap. Ook speelt hij graag doktertje met andere kinderen en soms vindt hij het leuk om te kijken wie het verste kan plassen. Van enige behoefte om zijn schaamstreek af te dekken is er niet... Dit antwoord is dus niet juist.
b. Bernard is ongeveer 5,5 jaar.
Bernard zit met 5,5 jaar volop in de kleuterfase (gemiddeld 4,5-6,5 jaar). Alleen al om die reden is zo’n overgangsreactie als ‘eerst naakt, dan bedekt’ niet te verwachten. Bij de twee andere leeftijden ligt dat dus anders. Dit antwoord is dus niet juist – het juiste antwoord is a of c.
c. Bernard is ongeveer 6,5 jaar.
Dit is het juiste antwoord. Bernard heeft zijn ouders nooit naakt gezien. In de overgang van de kleuterfase (gemiddeld 4,5-6,5 jaar) naar de fase van het jonge schoolkind (gemiddeld 6,5-8,5 jaar) realiseert hij dat zij hem wel geregeld naakt zien maar hij hen nooit. Hij besluit het voortaan als zij te doen en dekt zijn schaamstreek op de tekening af met een broekje.
vijfde doordenker: boom op een helling
a. Mette heeft nog onvoldoende besef van wat het begrip ‘verticaal’ inhoudt.
Dit is het juiste antwoord. Mette zit in kleuterfase 13 van de psychologische ontwikkeling (gemiddeld 4,5-6,5 jaar). Daarin is het ruimtebesef nog onvoldoende om een boom altijd verticaal te tekenen, ongeacht of het ondervlak nu een polder is of een berghelling. Pas in de fase van het jonge schoolkind (gemiddeld 6,5-8,5 jaar) is het ruimtebesef toereikend om zich los te kunnen maken van het ondervlak en een boom altijd verticaal te tekenen.
b. Mette verkeert in een neerslachtige stemming. Daardoor gaat ze met de helling mee in dalende lijn.
Mette zit in de kleuterfase (gemiddeld 4,5-6,5 jaar). Of kleuters nu in een vrolijke bui verkeren of een dipt hebben, in alle gevallen tekenen ze bomen op een helling zoals zij het doet.
c. Mette is nog nooit in de bergen geweest en tekent daarom die bomen zoals ze ze in Nederland kent: loodrecht op het oppervlak.
Mette is al diverse keren in de bergen geweest. Ondanks dat ze daar honderden bomen verticaal heeft zien staan, tekent ze toch loodrecht op de helling. Kleuters die in een bergstreek wonen, tekenen ze net als Mette. Dit antwoord is dus niet juist.
« terug naar magazine






