‘Meer inzicht nodig in individuele verschillen’

Het onderwijs is vooral gericht op de gemiddelde leerling. Dit komt deels doordat we nog onvoldoende begrijpen wat zwakke en excellerende leerlingen nodig hebben om optimaal te kunnen leren. Hoe moeten leerkrachten in het primair onderwijs omgaan met de individuele verschillen tussen leerlingen?

Hoe kunnen we het onderwijs zo effectief mogelijk maken?

In hun oraties aan de Radboud Universiteit op 25 mei gingen Evelyn Kroesbergen, hoogleraar Orthopedagogiek, en Ard Lazonder, hoogleraar Onderwijswetenschappen, in op deze vraag. Kroesbergen kijkt met name naar het rekenonderwijs in het primair onderwijs en Lazonder naar het primair onderwijs op het gebied van wetenschap en technologie, maar hun centrale onderzoeksvraag komt overeen: hoe kunnen we het onderwijs zo effectief mogelijk maken voor leerlingen?

Kroesbergen doet vooral onderzoek naar individuele verschillen tussen leerlingen en hun onderwijsbehoeften, terwijl Lazonder zich meer richt op de effectiviteit van zogeheten adaptief of gedifferentieerd onderwijs dat aan die behoeften tegemoet wil komen.

Aandacht voor individuele verschillen

Uit hun beider onderzoek blijkt dat meer aandacht voor individuele verschillen tussen leerlingen de onderwijsprestaties bevordert. Een kind met leerproblemen heeft vaak andere kenmerken dan een gemiddelde leerling of een excellente leerling, elk type leerling verdient dus zijn of haar eigen benadering. Lazonder: ‘Uit onderzoek blijkt bovendien dat, als we willen dat het onderwijs beter wordt, de meeste winst valt te behalen door in te spelen op de behoeften van kinderen die te weinig opsteken van de reguliere lessen.’

Getalbegrip en creativiteit

Kroesbergen kijkt naar kinderen die moeite hebben met rekenen of zelfs dyscalculie hebben, maar ook naar kinderen die juist heel goed presteren. Uit haar onderzoek blijkt dat beide soorten kinderen baat hebben bij maatwerk. ‘Voor kinderen aan de onderkant is getalbegrip vaak een probleem: het kunnen begrijpen, schatten en manipuleren van getallen en hoeveelheden.’

Terwijl excellente rekenaars juist behoefte hebben aan een meer creatieve insteek van het onderwijs. Kroesbergen: ‘We hebben relatief weinig kinderen in Nederland die heel goed kunnen rekenen. Mijn hypothese is dat het aantal excellerende kinderen zal toenemen als we meer ruimte geven aan creativiteit in de reken-wiskunde les.’

Volgens Kroesbergen is er in het onderwijs zelf nog weinig zicht op deze verschillen tussen leerlingen: ‘Als ik een school bel met de vraag of ze een kind hebben met dyscalculie, zegt 95 procent van de scholen die niet te hebben. Terwijl het er in principe een paar zouden moeten zijn. Rekenproblemen worden vaak niet als een specifiek probleem gezien.’

Adaptief onderwijs en differentiatie

Lazonders onderzoek concentreert zich op wetenschap- en technologieonderwijs in de bovenbouw van de basisschool. Hoe kan een leraar de 30 leerlingen uit zijn of haar klas instructie of begeleiding op maat geven? Lazonder: ‘Dit is behoorlijk ingewikkeld voor leraren, omdat ze met veel dingen tegelijk rekening moeten houden. Bij beslissingen over adaptief of gedifferentieerd onderwijs gaat het niet alleen om de cognitieve prestaties van het kind, maar ook over sociale en affectieve factoren: heeft het kind bijvoorbeeld faalangst, een lage motivatie of moeite om zich te concentreren’

Lazonder kijkt hoe kinderen onderzoeksvaardigheden kunnen leren — een onderwerp dat vanaf 2020 in het curriculum van elke basisschool moet zijn opgenomen. Vaak gebruikt hij hiervoor een knikkerbaan waarmee kinderen kunnen onderzoeken welke invloed de eigenschappen van de baan (bijvoorbeeld de hellingshoek) of de knikkers (bijvoorbeeld de massa) hebben op de afstand die een knikker aflegt. De leraar kan hierbij eerst een korte instructie geven en de kinderen tijdens hun onderzoek begeleiden. Lazonder kijkt vervolgens wat de invloed is van kleine variaties in de instructie of begeleiding op de prestaties van kinderen met verschillende kenmerken.

Zijn doel is om leraren op basis van zijn onderzoek richtlijnen te geven voor het monitoren van het werk van de leerlingen en het aanpassen van hun instructies. Lazonder: ‘Op welke onderdelen schiet een leerling nog tekort? Wat voor patroon zit er in de fouten van die leerling? En hoe kan instructie of begeleiding worden ingericht om ervoor zorgen dat elke leerling er optimaal van profiteert?’


Blijf op de hoogte

Meld je aan voor de PrimaOnderwijs nieuwsbrief

Nieuwsbrief